Even geduld a.u.b.
De pagina wordt geladen...
Toscane is een streek waar de tijd lijkt stil te staan. Glooiende heuvels, rijen cipressen en goudgele velden vormen een landschap dat al eeuwenlang kunstenaars, dichters en reizigers inspireert. Hier ligt de bakermat van de Renaissance, met steden vol meesterwerken en middeleeuwse dorpjes op de heuveltoppen. Toscane verleidt met zijn rust, zijn geschiedenis en zijn heerlijke keuken. Wie de regio bezoekt, begrijpt snel waarom Italië hier zo vaak op zijn mooist wordt genoemd.
Midden in Italië, ingeklemd tussen de Apennijnen en de Tyrreense Zee, ligt een regio die voor veel reizigers het toonbeeld is van het Italiaanse landschap. Toscane ligt precies op de plek waar het noorden en het zuiden van het land elkaar ontmoeten, en dat voel je. Het is er zowel verfijnd als ongedwongen, zowel statig als vol van het eenvoudige plezier van een lange lunch in de schaduw. Het is dan ook geen wonder dat Toscane geldt als een van de mooiste regio's van het land.
Wie door het binnenland rijdt, ziet het beeld dat op ontelbare ansichtkaarten staat. Zacht glooiende heuvels rollen naar de horizon, afgewisseld met rijen slanke cipressen die als wachters langs smalle landweggetjes staan. Aan de hellingen groeien wijnranken en olijfbomen, en in de verte staat een stenen boerderij die eruitziet alsof hij er al eeuwen staat. Dat is vaak ook zo. In de loop der tijd hebben Etrusken, Romeinen en machtige middeleeuwse families hun sporen nagelaten, en juist die gelaagde geschiedenis geeft de streek zijn bijzondere karakter.
Dat culturele erfgoed is nergens zo voelbaar als in de steden en dorpen. In Toscane werd de Renaissance geboren, en de erfenis daarvan zie je terug in kerken, paleizen, pleinen en musea die wereldberoemde meesterwerken herbergen. Maar ook buiten de grote steden is er veel te ontdekken: kleine dorpjes op heuveltoppen waar de tijd langzamer lijkt te gaan, en een keuken die draait om eenvoudige, eerlijke producten en een glas goede wijn.
Op deze pagina nemen we je mee langs al het moois dat de regio te bieden heeft. Je leest over de bekendste steden en de rustige plekken die net iets minder bekend zijn, over de landschappen die je niet snel zult vergeten en over de dorpjes waar je heerlijk kunt ronddwalen. Ook de Toscaanse tafel komt aan bod, evenals praktische tips die je reis een stuk makkelijker maken. En omdat het weer bepaalt hoe je een bezoek beleeft, lees je ook wanneer je het beste kunt gaan om Toscane op zijn mooist te zien.
Florence is een stad waar je bijna bij elke stap iets tegenkomt dat de wereldgeschiedenis heeft beïnvloed. In de vijftiende eeuw groeiden hier, onder de bescherming van de rijke bankiersfamilie De Medici, schilders, beeldhouwers en architecten uit tot de grote namen die we nu nog kennen. Die erfenis is overal zichtbaar, en omdat het historische centrum compact is, kun je het grootste deel ervan gemakkelijk te voet verkennen.
Het hart van de stad wordt gevormd door de Duomo, officieel Santa Maria del Fiore. De kathedraal valt op door zijn gevel van wit, groen en roze marmer, maar het echte hoogtepunt is de enorme koepel van Filippo Brunelleschi. Deze koepel werd in de vijftiende eeuw gebouwd zonder de gebruikelijke houten steunconstructie, een prestatie die nog altijd verbaast. Wie de ruim vierhonderd treden naar boven beklimt, wordt beloond met een schitterend uitzicht over de rode daken van de stad. Reserveer voor de beklimming vooraf een tijdslot, want in het hoogseizoen kunnen de rijen erg lang zijn. Ook de campanile en het doopkapel met zijn gouden deuren zijn een bezoek meer dan waard.
Een stukje verderop ligt de Galleria degli Uffizi, een van de belangrijkste kunstmusea ter wereld. Hier hangen onder andere *De geboorte van Venus* van Botticelli en werken van Leonardo da Vinci, Rafaël en Caravaggio. Plan voor dit museum ruim de tijd in, want het is er groot en vaak druk. Een online ticket met een vaste starttijd bespaart je vaak uren wachten in de rij. Na je bezoek kun je langs de Arno naar de Ponte Vecchio lopen, de middeleeuwse brug waarop al eeuwenlang goudsmeden en juweliers hun winkeltjes hebben. Het is er vooral aan het begin van de avond heerlijk om te zijn, wanneer het licht warm op het water valt.
Voor het mooiste uitzicht over de stad steek je de rivier over en loop je omhoog naar het Piazzale Michelangelo. Vanaf dit grote plein zie je de Duomo, de torens en de brug in één blik, en zeker bij zonsondergang is het een bijzonder moment. De wandeling erheen duurt ongeveer twintig minuten, maar je kunt ook de bus nemen als je de klim liever overslaat. Neem hier gerust de tijd, want veel bezoekers blijven met een ijsje in de hand zitten tot de lichtjes in de stad aangaan.
Het beroemdste beeld van de stad staat in de Galleria dell'Accademia: de David van Michelangelo. Het marmeren beeld is ruim vijf meter hoog en maakt in het echt veel meer indruk dan op foto's, vooral door de spanning en de details in het gezicht en de handen. Ook hier geldt dat je het best van tevoren een ticket reserveert, omdat de rij bij de ingang vaak lang is. Wie vroeg in de ochtend of juist laat in de middag komt, treft meestal een rustiger museum aan.
Naast Florence heeft Toscane nog drie steden die elk een eigen karakter hebben en die zich goed laten combineren. Ze liggen op een redelijke afstand van elkaar, zijn goed bereikbaar met de trein of de auto en bieden alle drie een heel ander beeld van het Toscaanse leven. Wie er de tijd voor neemt, ontdekt dat ze meer te bieden hebben dan alleen hun bekendste monument.
Pisa is vooral bekend door de Scheve Toren, maar de toren is slechts een onderdeel van het Piazza dei Miracoli, het "plein der wonderen". Op dit grote grasveld staan naast de toren ook de witmarmeren dom en het doopkapel, en samen vormen ze een indrukwekkend geheel dat op de Werelderfgoedlijst staat. De toren begon al tijdens de bouw te zakken omdat de grond te zacht was, en dat is nog altijd goed te zien. Veel bezoekers laten zich fotograferen alsof ze de toren tegenhouden, en dat hoort er gewoon bij. Het plein is vlak bij het station te bereiken en je kunt Pisa daarom prima in een halve dag bezoeken. Wie wat meer tijd heeft, kan daarna langs de Arno slenteren of door de levendige studentenwijk lopen, want Pisa heeft een van de oudste universiteiten van Italië. Reserveer als je de toren wilt beklimmen vooraf een tijdslot, want het aantal bezoekers per tijdvak is beperkt.
Siena heeft een heel andere sfeer. De stad is middeleeuws gebleven en voelt veel besloten en ouderwetser aan dan Florence, waar het een eeuwenoude rivaal van was. Het hart van de stad is het Piazza del Campo, een groot plein in de vorm van een schelp dat zacht naar het midden toe afloopt. Hier zitten bewoners en toeristen op de stenen te genieten van de zon, met de hoge toren van het stadhuis boven zich. Twee keer per jaar verandert het plein in een racebaan voor de Palio, een spectaculaire paardenrace tussen de wijken van de stad. Het is een gebeurtenis die inwoners het hele jaar bezighoudt en die vol trots en traditie zit. Even verderop staat de gotische dom, met zijn zwart-witte strepen van marmer, prachtige beelden en een bijzondere mozaïekvloer. Siena is het mooist te beleven door zonder haast door de smalle steegjes te dwalen, en het liefst blijf je er een nacht slapen om de stad ook in de avond, als de dagjesmensen weg zijn, te ervaren.
Lucca is de rustigste van de drie en misschien wel de gezelligste. De stad wordt volledig omringd door brede, goed bewaarde stadsmuren uit de zestiende en zeventiende eeuw. Op de muren ligt tegenwoordig een groene wandelroute van ruim vier kilometer, waar je te voet of op de fiets onder de bomen een rondje om de stad kunt maken. Fietsen huur je op veel plekken in de stad, en de route is vlak en dus ook geschikt voor kinderen. Binnen de muren vind je smalle straten, kleine pleinen en terrasjes waar het goed toeven is. Het Piazza dell'Anfiteatro volgt nog de ovale vorm van een Romeins amfitheater, en de Torre Guinigi springt eruit vanwege de steeneiken die bovenop de toren groeien. Wie de ruim 230 treden beklimt, kijkt uit over de rode daken en de heuvels in de verte. Lucca bezoek je het best zonder strak schema, met een fiets, een ijsje en alle tijd van de wereld.
Wie Toscane alleen kent van de grote steden, mist een belangrijk deel van de regio. Verspreid over de heuvels liggen tientallen kleine plaatsen die eeuwenlang vrijwel onaangetast zijn gebleven. Ze zijn vaak op een hoge heuvel gebouwd, zodat de bewoners hun vijanden al van verre zagen aankomen, en juist daardoor hebben ze nu zulke fraaie uitzichten. De meeste dorpjes liggen dicht bij elkaar, dus je kunt er met een huurauto gemakkelijk twee of drie op één dag bezoeken.
San Gimignano is misschien wel het bekendste van allemaal. Al van kilometers afstand zie je de middeleeuwse torens boven de muren uitsteken. In de Middeleeuwen lieten rijke families er tientallen bouwen om hun macht te tonen, en veertien ervan staan er nog steeds. Overdag is het hier erg druk, maar in de vroege ochtend en de late middag voel je je terug in de tijd. Probeer zeker een ijsje bij een van de gelaterias op het centrale plein, want hier werd meermaals het wereldkampioenschap ijs gewonnen. Ook Volterra, ten westen van San Gimignano, heeft een bijzondere uitstraling. Deze stad was al in de tijd van de Etrusken belangrijk en staat bekend om haar alabaster, dat je in veel kleine werkplaatsen nog kunt zien bewerken. Liefhebbers van de *Twilight*-boeken en -films herkennen de stad bovendien meteen, omdat daar een deel van het verhaal zich afspeelt.
Verder naar het zuiden liggen twee plaatsen die elk op hun eigen manier betoveren. Montepulciano is gebouwd op een smalle heuvelrug en kijkt uit over een meer dan indrukwekkend landschap. Door de steile, kronkelende straten klim je langzaam omhoog naar het plein bovenaan, en onderweg kom je talloze wijnkelders tegen waar je de beroemde Vino Nobile kunt proeven. Pienza is heel anders: het is klein, bijna volmaakt van opzet en in de vijftiende eeuw ontworpen als een ideale Renaissancestad. Het stadje is vooral beroemd om zijn pecorino, een schapenkaas die in bijna elke winkel in de straten wordt verkocht. Vanaf de stadsmuur kijk je uit over de Val d'Orcia, en veel scènes uit de film *Gladiator* zijn niet ver van hier opgenomen.
Cortona en Monteriggioni sluiten dit rijtje af. Cortona ligt aan de oostkant van Toscane, op een steile helling, en is bij veel mensen bekend geworden door de film en het boek *Under the Tuscan Sun*. De straten zijn er steil en de pleinen klein, maar het uitzicht over het Trasimeense meer is de klim ruimschoots waard. Monteriggioni is het kleinste van de zes. Het dorp is volledig omringd door een goed bewaarde cirkelvormige muur met veertien torens, en wie er binnenloopt, vindt een rustig plein, een paar winkeltjes en een handvol restaurants. Je hebt het in een uurtje gezien, maar de sfeer is zo bijzonder dat veel bezoekers er blijven hangen voor een lunch of een glas wijn.
Wie de steden en dorpjes heeft bezocht, moet zeker ook de ruimte tussen die plaatsen opzoeken. Het Toscaanse landschap is namelijk net zo bepalend voor de reis als de kunst en de geschiedenis. Twee gebieden springen er in het bijzonder uit: de Val d'Orcia in het zuiden en de Chianti-streek tussen Florence en Siena. Ze liggen op ongeveer een uur rijden van elkaar, maar hebben allebei een eigen karakter.
De Val d'Orcia staat sinds 2004 op de UNESCO-Werelderfgoedlijst, en wie er rondrijdt, begrijpt meteen waarom. Het landschap bestaat uit zachte, bijna kale heuvels die in het voorjaar diepgroen kleuren en in de zomer overgaan in goudgeel. Hier en daar staat een eenzame boerderij op een heuveltop, omringd door een kleine groep cipressen. Juist die beelden zie je op bijna elke foto van Toscane. De mooiste route loopt van Pienza naar San Quirico d'Orcia en verder richting Montalcino, met onderweg talloze plekken waar je de auto even kunt parkeren. Voor fotografen zijn de vroege ochtend en het uur voor zonsondergang het mooist, wanneer er mist in de dalen hangt of het licht laag over de heuvels valt. De cipressen van de kapel Madonna di Vitaleta en de slingerende weg bij Agriturismo Poggio Covili behoren tot de meest gefotografeerde plekken van de regio. Ook wie liever beweegt, komt hier aan zijn trekken: de rustige landweggetjes zijn prima te belopen of te fietsen, al zijn de heuvels pittiger dan ze op het eerste gezicht lijken.
Na een dag wandelen is een warm bad bijzonder welkom. In het zuiden van de regio liggen de warmwaterbronnen van Saturnia, waar het water met zo'n vijfendertig graden over natuurlijke witte kalksteenbekkens stroomt. Het is er in de ochtend, of juist in de late namiddag, een stuk rustiger. Een mooi alternatief is Bagni San Filippo, in de buurt van de Val d'Orcia. Daar kun je in een bosrijke omgeving in warme poelen zitten, tussen witte kalkformaties die in de volksmond de Witte Walvis wordt genoemd. Beide plekken zijn gratis te bezoeken, maar neem wel een handdoek en waterschoenen mee, omdat de stenen glad zijn.
De Chianti-streek voelt heel anders aan. Het landschap is hier minder open en meer begroeid, met bossen, rijen wijnstokken en olijfgaarden die de hellingen bedekken. Kleine dorpjes als Greve, Radda en Castellina liggen op korte afstand van elkaar, verbonden door slingerende wegen waarlangs vrijwel elke boerderij haar eigen wijn en olijfolie verkoopt. De Via Chiantigiana, de oude provinciale weg tussen Florence en Siena, is een prachtige autoroute die je gemakkelijk in een dag kunt rijden, mits je genoeg stops inlast. Voor wie liever fietst, zijn er veel georganiseerde tochten, waaronder een aantal met elektrische fietsen, die het steile terrein een stuk toegankelijker maken. In het najaar, tijdens de oogst, kleuren de wijngaarden rood en oranje, en dan is de streek op zijn indrukwekkendst. Plan in elk geval een bezoek aan een wijngaard in, want de meeste bieden een proeverij met uitzicht aan, soms inclusief een eenvoudige lunch van brood, kaas en vleeswaren.
Toscane is meer dan heuvels en steden alleen. Aan de westkant van de regio ligt een kustlijn van ruim tweehonderd kilometer, waar je na een paar dagen cultuur heerlijk kunt bijkomen. Het is een andere kant van Toscane: ontspannen, zonnig en een stuk minder druk dan de beroemde Italiaanse badplaatsen elders. Veel Italianen brengen hier hun zomervakantie door, en dat zegt eigenlijk al genoeg.
Het noordelijke deel heet de Etruskische Kust, genoemd naar het volk dat hier duizenden jaren geleden woonde. De kust loopt ruwweg van Livorno tot Piombino en wisselt zandstranden af met rotsachtige baaien. Vooral rond Castagneto Carducci en Populonia is het landschap bijzonder mooi, met pijnbomen en mediterrane struiken die tot vlak aan het water groeien. In Populonia kun je archeologische vindplaatsen bezoeken en daarna op het strand van Baratti een duik nemen in een kalme, ondiepe baai. Het is er geschikt voor gezinnen met kinderen, omdat het water er langzaam dieper wordt. Verder zijn er verschillende wandelroutes door het natuurgebied, waarvan sommige uitkomen bij verborgen strandjes die alleen te voet bereikbaar zijn.
Verder naar het zuiden ligt de Maremma, een gebied dat lang werd gemeden omdat het moerassig en malariagevoelig was. Tegenwoordig is het een van de mooiste en wildste stukken van Toscane. Het Parco Naturale della Maremma bestrijkt een groot deel van de kust, met duinen, pijnboombossen, moerassen en heuvels. Er lopen wilde zwijnen, herten en de beroemde Maremmaanse runderen met hun grote hoorns rond. Het park is alleen te voet, per fiets of met een geleide tocht te verkennen, en de wandelroutes variëren van een uur tot een hele dag. De route naar het strand van Cala di Forno is een van de populairste, al moet je er rekening mee houden dat de laatste kilometer lastig loopt. Voor wie liever een dorpje bezoekt, is Castiglione della Pescaia een goede keuze. Het is een charmant havenstadje met een middeleeuws kasteel op de heuvel, een kleurrijke haven en ruime zandstranden. In de avond zitten bewoners en toeristen er op de terrassen langs de kade, waar je verse vis eet terwijl de vissersboten binnenvaren.
Voor een echt eilandgevoel neem je de veerboot vanuit Piombino naar Elba. De overtocht duurt ongeveer een uur, en eenmaal aangekomen blijkt het eiland meer te bieden dan je zou verwachten. Het is het grootste eiland van het Toscaanse Archipel en staat bekend als de plek waar Napoleon in 1814 werd verbannen. Zijn woonhuis, de Villa dei Mulini in Portoferraio, is nog altijd te bezoeken. Verder bestaat Elba uit kleine havenplaatsen als Porto Azzurro en Marciana Marina, waar je tussen de kleurrijke huisjes kunt slenteren, en uit stranden met zeer helder water, zoals Fetovaia en Cavoli. Wie van wandelen houdt, kan de berg Monte Capanne beklimmen of met een kabelbaan naar boven gaan, en daar kijk je bij helder weer helemaal tot aan Corsica. Ook duiken en snorkelen zijn populair, omdat het water rond het eiland erg rijk is aan onderwaterleven.
De Toscaanse keuken is gebaseerd op een eenvoudig principe: gebruik weinig ingrediënten, maar zorg dat ze van uitstekende kwaliteit zijn. Dat komt voort uit de geschiedenis van de streek, waar boeren al eeuwenlang met wat het land opleverde iets lekkers maakten. Er wordt weinig verspild, en oud brood, bonen en groenten vormen de basis van veel gerechten. Het resultaat is eten dat stevig, eerlijk en vol smaak is.
Het bekendste gerecht is de bistecca alla fiorentina, een enorme T-bonestEAK van Chianina-rund die kort op houtvuur wordt gegrild en van binnen rood en sappig blijft. Meestal wordt hij met alleen zout en wat olijfolie geserveerd, en hij is bedoeld om te delen. Wie iets lichters zoekt, kan kiezen voor ribollita, een dikke soep van witte bonen, zwarte kool en brood, of voor pappa al pomodoro, een zomers gerecht van tomaten, basilicum en oud brood. Beide gerechten komen uit de arme keuken en laten zien hoe vindingrijk de Toscanen zijn. Daarnaast is pecorino, de schapenkaas uit onder andere Pienza, overal te vinden. Jonge kaas is zacht en mild, terwijl de oudere variant scherp en kruimelig is en heerlijk smaakt met honing of peer. Ook de olijfolie verdient aandacht, want de groene, peperige olie die in de late herfst wordt geperst, is een product waar de streek trots op is. In de herfst komen er bovendien truffels uit de bossen rond San Miniato en wordt er in veel restaurants verse pasta met geraspte truffel geserveerd. Als afsluiter bestel je cantuccini, harde amandelkoekjes die je volgens de traditie dopt in een glaasje vin santo, een zoete dessertwijn.
De wijnen van Toscane zijn net zo beroemd als het eten. Rond Florence en Siena wordt de Chianti Classico gemaakt, herkenbaar aan het zwarte haantje op de fles, een rode wijn die goed past bij vlees en tomatensauzen. Bij Montalcino groeit de druif voor de Brunello di Montalcino, een krachtige en langlevende wijn die minstens vijf jaar rijpt voordat hij wordt verkocht. De Vino Nobile di Montepulciano ligt qua stijl daar tussenin en is vaak iets toegankelijker en betaalbaarder. Bijna elk wijnhuis ontvangt bezoekers voor een rondleiding en proeverij, maar het is verstandig om vooraf te reserveren, zeker in het hoogseizoen. Houd er ook rekening mee dat je een chauffeur nodig hebt of dat je moet kiezen voor een georganiseerde tour als je meerdere kelders wilt bezoeken.
Wie de lokale keuken echt wil leren kennen, doet er goed aan om een nacht of twee in een agriturismo te slapen. Dat zijn boerderijen die kamers verhuren en vaak een eigen restaurant hebben, waar de gerechten zijn gemaakt van producten van het eigen land. Het diner is er vaak een gezellige, lange avond met vaste gerechten en huiswijn. Verder zijn de lokale markten een leuke manier om de streek te proeven. Bijna elke stad houdt een of twee keer per week een markt waar je verse groenten, kaas, charcuterie en olijfolie kunt kopen. In Florence is de overdekte Mercato Centrale een goede plek om te lunchen, en in kleinere plaatsen vind je meestal een markt op zaterdagochtend. Ga vroeg, want dan is het er rustig en is het aanbod het grootst.
Toscane heeft een mediterraan klimaat met warme, droge zomers en milde, relatief vochtige winters. Toch verschilt de beleving per seizoen sterk, en dat heeft grote invloed op wat je van je reis kunt verwachten. Het landschap verandert van kleur, de drukte neemt toe en af, en ook de prijzen bewegen mee. Wie weet wat hij kan verwachten, kan de reis beter afstemmen op zijn eigen wensen.
In de lente, van april tot en met juni, is Toscane op zijn groenst. De temperaturen liggen overdag gemiddeld tussen de achttien en vierentwintig graden, en dat is ideaal om door steden te lopen of te wandelen in de heuvels. De velden staan vol klaprozen en wilde bloemen, en in de Val d'Orcia zijn de heuvels zo intens groen dat het landschap bijna onwerkelijk lijkt. Houd er wel rekening mee dat er in april en mei nog regelmatig een bui kan vallen, dus een regenjas is geen overbodige luxe. Rond Pasen en in de meivakantie is het bovendien al aardig druk bij de grote bezienswaardigheden.
De zomer, in juli en augustus, is de periode waarin het het warmst is. De temperaturen komen vaak boven de dertig graden uit en kunnen in de steden, vooral in Florence, zelfs oplopen tot rond de veertig. Het is dan de tijd van de lange dagen, de strandvakanties en het eten op het terras tot laat in de avond. Tegelijk is het dan het drukst en het duurst. Vliegtickets en accommodaties kosten meer, de rijen voor musea zijn lang, en rond Ferragosto, half augustus, zijn veel kleinere restaurants en winkels gesloten omdat de eigenaren zelf op vakantie zijn. Wie in deze maanden gaat, plant sightseeing het best in de vroege ochtend en laat de middag over aan het zwembad of de kust.
Veel reizigers vinden de herfst, van september tot en met oktober, de allermooiste tijd. De ergste hitte is voorbij, de temperaturen zijn aangenaam en het licht is zacht en goudkleurig. In de wijngaarden is het druk met de druivenoogst, en de bladeren aan de wijnranken kleuren geel, oranje en rood. Het is bovendien het seizoen van de truffels, de paddenstoelen en de nieuwe olijfolie, dus ook culinair is er veel te beleven. In november wordt het weer natter en koeler, maar dan is het wel een stuk rustiger. In de winter, van december tot en met februari, liggen de temperaturen overdag meestal tussen de vijf en tien graden, en soms ligt er in de heuvels zelfs sneeuw. De steden zijn dan lekker leeg en de prijzen zijn laag, maar sommige agriturismi, restaurants en kleinere attracties zijn tijdelijk gesloten of hebben beperkte openingstijden.
Wie de beste combinatie van weer, sfeer en rust zoekt, kan het beste kiezen voor het late voorjaar of het begin van de herfst. Eind mei en juni, en vooral september en begin oktober, bieden een heerlijke temperatuur en een prachtig landschap, zonder de overvolle straten van het hoogseizoen. Boek in die perioden wel op tijd je verblijf en tickets voor de populairste musea, want ook dan weten veel reizigers de regio te vinden.
Toscane is vanuit Nederland en België goed bereikbaar. De twee belangrijkste vliegvelden zijn dat van Pisa, Galileo Galilei, en dat van Florence, Amerigo Vespucci. Pisa heeft de meeste directe vluchten, ook met budgetmaatschappijen, en ligt vlak bij de kust. Vanaf het vliegveld rijdt een kleine tram of een bus in ongeveer tien minuten naar het centraal station. Het vliegveld van Florence is kleiner en ligt dichter bij de stad, maar heeft minder directe verbindingen. Wie liever met de trein reist, kan via Milaan of Bologna naar Florence, dat een belangrijk knooppunt is. Vanuit Florence rijden regelmatig snelle treinen naar Pisa, Lucca, Siena en Rome.
Voor het bezoeken van de grote steden heb je geen auto nodig. Florence, Pisa en Lucca zijn prima te bereiken met de trein, en het centrum van Florence is zelfs beter te voet te verkennen. Siena bereik je het makkelijkst met de bus of met een trein met overstap. Wil je echter de dorpjes en het platteland ontdekken, dan is een huurauto vrijwel onmisbaar, omdat het openbaar vervoer daar schaars is. Reserveer de auto vooraf, want in het hoogseizoen zijn die snel uitverkocht, en kies liever een kleine wagen, omdat de wegen smal en de parkeerplekken beperkt zijn. Let bovendien goed op de ZTL, de zones in historische centra waar je zonder vergunning niet mag rijden. Wie daar toch inrijdt, krijgt vaak maanden later een flinke boete thuis. Parkeer daarom bij voorkeur buiten de stadsmuren en loop de laatste stukken.
Qua verblijf heb je in Toscane keuze uit veel soorten accommodatie. In de steden vind je hotels en kleine bed-and-breakfasts, die vaak midden in het historische centrum liggen. Voor een meer authentieke ervaring kun je een agriturismo kiezen: een werkende boerderij met kamers of appartementen, waar je ontbijt en diner vaak met producten van het eigen land krijgt. Gezelschappen en gezinnen kiezen graag voor een vakantievilla met een zwembad, vaak gelegen in de heuvels, ideaal om na een dag sightseeing in de middagzon te ontspannen. Houd er rekening mee dat veel villa's per week verhuurd worden, meestal van zaterdag tot zaterdag. Boek in de zomer en in de herfst bij voorkeur enkele maanden van tevoren.
Voor een reis van een week is een route die de belangrijkste plekken combineert een goed idee. Begin met drie nachten in Florence om de stad rustig te bekijken, en houd een dag over voor een uitstapje naar Pisa of Lucca. Reis daarna door naar Siena of naar een agriturismo in de buurt, en neem twee nachten de tijd voor San Gimignano, Monteriggioni en de Chianti-streek. De laatste twee dagen breng je door in de Val d'Orcia, waar je Pienza, Montepulciano en Montalcino bezoekt en tussendoor stopt voor een wijnproeverij. Wie nog meer tijd heeft, kan daar een paar dagen aan de kust bij vastplakken. Met minder dan vijf dagen moet je keuzes maken, maar een week is de ideale lengte om Toscane op een ontspannen tempo te leren kennen.
Wie Toscane bezoekt, neemt vrijwel altijd meer mee naar huis dan een paar foto's en een fles wijn. Het is een streek die blijft hangen, omdat alles er op een bijzondere manier samenkomt. In één reis loop je langs meesterwerken uit de Renaissance, slenter je door straatjes die eeuwen geleden zijn aangelegd en zit je een uur later aan een tafel met uitzicht over een eindeloze rij heuvels. Die afwisseling maakt de regio zo veelzijdig, en zorgt ervoor dat je er zowel de rust als de inspiratie vindt die je thuis soms mist.
De kunst en cultuur van Toscane laten zich nergens zo goed ervaren als in de steden die we eerder bespraken. In Florence sta je oog in oog met de David van Michelangelo en kijk je omhoog naar de koepel van Brunelleschi, terwijl Siena, Pisa en Lucca elk hun eigen verhaal vertellen. Buiten de steden liggen de kleine dorpjes op hun heuvels, waar de tijd langzamer lijkt te gaan en waar een simpele wandeling langs oude stadsmuren al genoeg is om je dag te laten slagen. Elk plaatsje heeft zijn eigen sfeer, zijn eigen producten en zijn eigen uitzicht, en het loont om er een paar uur de tijd voor te nemen.
Dan is er nog het eten en de wijn, die voor veel bezoekers net zo belangrijk worden als de bezienswaardigheden. Een eenvoudig bord pasta met verse truffel, een stuk pecorino met honing of een glas Brunello bij zonsondergang smaken in Toscane beter dan ergens anders, juist omdat alles hier zo vanzelfsprekend en met zoveel zorg wordt gemaakt. En wie het landschap wil voelen, hoeft maar de auto te parkeren aan de rand van de Val d'Orcia of een fiets te huren in de Chianti om te begrijpen waarom schilders en schrijvers hier al zo lang hun inspiratie vonden. Aan de kust wacht daarna nog het blauwe water, voor wie een rustige afsluiting zoekt.
Misschien is het wel het mooist dat Toscane zich op elke manier laat beleven. Je kunt er een drukke week van maken vol musea en dorpjes, maar je kunt er ook gewoon een villa huren en dagenlang niets anders doen dan lezen, eten en naar de cipressen kijken. Kies een moment in het late voorjaar of het begin van de herfst, boek je tickets en accommodatie op tijd, en laat de rest op je afkomen. Toscane wacht op je met open armen, en zodra je er bent, weet je zeker dat dit niet je laatste bezoek zal zijn.
Gratis annuleren
Gratis annuleren
Gratis annuleren
Gratis annuleren
Gratis annuleren
Gratis annuleren